Brief op de bus

NRC Handelsblad 1991 &1992


Datum: 8 Dec 1992
Pagina: ap 16
Thema: JP PLOOIJ
Trefwoord:1 05 c

Kop: Brief op de bus
Auteur: Jean Pierre Plooi

         Even een brief op de bus doen. Langs het huizenblok dat dichtgespijkerd was. Dat is niet meer nodig, de slopers hebben er met hand en moker gaten in gemaakt. De bovenetage eindigt in de lucht. De slaapkamer van de buren ligt opengesperd en de vloer hangt scheef over een binnentrap van weer andere buren. Brokken puin liggen uitgewaaierd op een binnenplaats die ineens verrassend tevoorschijn komt. De ruime lijkt op een zandkasteel dat door opkomende vloed wordt aangetast.



Nelson Carrilho: African Dance    

         Het hoekhuis van waaruit de lijkkleurige fietsenmaker opereerde, staat als enige nog recht overeind. Hij staat in de kamer op de eerste verdieping en kijkt tussen stukken board en glasscherven naar buiten. Buiten, kamer: beide gaan naadloos in elkaar over. Als woord hebben ze hun conventionele betekenis verloren.

         Op het balkon staat een verregende cactus. De balkondeuren zijn ontwricht. Mijn respect voor de fietsenmaker stijgt als ik achter de balkondeuren een klerenhanger ontdek. De kamer doet denken aan Hegels vraagstelling: hoe groot moet het gaat in een sok zijn, opdat de sok geen sok meer is?

         De brievenbus is linksaf bij de giftsop. Veel onnutte dingen in de etalage, maar blinkend en hoe meer blinkend hoe duurder. Erg onnut dus en daarom zijn er ook geschenkkaarten. Een vrouw met een zeer dik nauwelijks bedekt bovenlijf ligt tegen een rode achtergrond. Ze is uitvouwbaar en de tekst boven haar hoofd nodigt me uit haar hele lijf te zien. Gelukkig is dat enigszins met kleren bedekt, maar wat er aan vlees uitstulpt doet me walgen. Haarvaatjes zijn pukkelig, het vel is gebarsten van het onderhuidse vet en de dril rond het bot van de benen hangt naar beneden als gelei. Het arme mens moet wel driehonderd kilo wegen. De liggende positie zal wel noodzaak zijn. Naast mij laat een mevrouw in een geklede jas een bodybuilder op de grond vallen. Ook uitvouwbaar, en hij toont zijn geslacht. Op zich is het grappig als een lul op straat ligt, zeker met dat triomfantelijke hoofd erboven. De keurige dame raapt de kaart snel op en vraagt in het Spaans naar het 'Anne Frank huis'.

         Op het volgende kruispunt houdt Co me staande. Hij is beeldhouwer en werkt als bronsgieter. Daarnaast beheert hij een galerie, die wanneer het te slecht met de kunst gaat, in "atelier" wordt omgedoopt. Op dit moment is hij bezig de ruiten met kettingpapier af te plakken. In de etalage stonden beelden van een bevriende Antilliaanse beeldhouwer, die zeer in trek raakt. Co vertelt over hem.

         Onlangs informeerde de vrouw van een bankdirecteur bij de veelbelovende kunstenaar of hij haar een beeldje kon verschaffen. Het kunstwerk zou aan Koningin Beatrix worden overhandigd tijdens haar bezoek aan de Antillen. De man was zeer vereerd met de opdracht. Dit was zijn kans om door te breken!

         Hij keek in zijn voorraad en vond niets geschiktst. Toen herinnerde hij zich een beeldje dat hij aan een collega-landgenoot had gegeven. Hij vroeg hem het beeldje terug te geven met de belofte dat hij een ander afgietsel zou krijgen. De collega rook handel, begon te zeuren, wilde geld. Toen de tijdslimiet bijna verstreken was, belde deze collega de vrouw van de bankdirecteur op, zij dat hij de manager van de beeldhouwer was en dat de prijs van het beeldje niet 1500, maar 5.000 gulden was. De opdracht werd ingetrokken. De vriend van Co was razend. "Woedend. En dat in het Papiamento. Dat is echt een taal om lekker in te schelden. Dat Hollands blijft maar beschaafd klinken", zegt Co met een Brabants accent.

         De brief komt nog net voor de lichting op de bus. Terug langs de eettent die zichzelf sinds het serveren van pasta, tournedos en gezondheidssalade omgedoopt heeft in "bistro". De eigenaar is begin veertig. Over zijn veel te nauwe spijkerbroek hangt een buik waarin hij veertig jaar biefstukken lijkt te hebben verzameld.

         Vanuit de giftshop komt een tiental jonge dertigers met snorretjes en trainingspakken aanlopen. Jolig naast elkaar, kwebbelend, waarschijnlijk de eerste dag in de grote stad. Ze koersen af op de bistro. Achter hen klinkt een fietsbel. Een van hen kijkt om. "Pas op jongens, daar komt een bruine vriend aan." "Kijk je wel uit met fietsen", vraagt er een met getuite mond, zodat een rond accent ontstaat dat hij blijkbaar bij zwarten vermoedt.

         De jongen krijgt een zeer nauwe doorgang, maar dat ligt niet aan zijn huidkleur: de sportlieden vinden gewoon dat ze recht hebben op de hele breedte van de straat.

Zo stond het in de krant.
23 Dec 1992

 

 

 

Contact Nelson Carrilho          

 

 

 

 

 

If you did not enter this page through the main page

Go to the main Page          

 

 

 

 

 

 

 Webdesign by Marc Marc Amsterdam . marcmarc@xs4all.nl - www.xs4all.nl/~marcmarc